P

Dr. Pieter Sjoerds

Bijnamen: Rode Piet, de Zeeleeuw

Gerbrandy

 

Geboren:

te Goengamieden (Wymbrits

maandag 13 apr 1885

man

 

Gedoopt:

 

 

 

 

Beroep:

advocaat, procureur, minister-president

Pieter Sjoerds Gerbrandy (Goënga, 13 april 1885 - Den Haag, 7 september 1961) was Nederlands minister-president gedurende de Tweede Wereldoorlog.
Pieter Sjoerds Gerbrandy werd op 13 april 1885 geboren te Goëngamieden, gemeente Wijmbritseradeel. Het ouderlijk huis was een normale Friese zathe, alleen waren de dakpannen blauw, en niet rood zoals bij de andere boerderijen en was het melkvee niet, zoals ter plaatse gebruikelijk was, zwart- doch roodbont. De vader Sjoerd Joukes Gerbrandy 1846 - 1904, die graag had willen studeren, was godsdienstig vaag en politiek conservatief geweest, totdat zijn naar kennis en cultuur dorstende ziel was gegrepen door het profetisch woord van Abraham Kuyper. Sindsdien had hij, naast de plichtmatige zorg voor zijn bedrijf, slechts ijver voor het herleven van het positief belijden en voor de invloed van het geloof op Staat, bedrijf en beroep. Hij was sinds 1880 gemeenteraadslid en van 1890 tot 1904 wethouder van Wijmbritseradeel. Van 1892 tot zijn overlijden was hij lid van de provinciale staten van Friesland. In die functie was hij een collega van Jelle Troelstra, wiens vrijzinnigheid zijn waardering niet had, doch wiens zoon Pieter Jelle als mens en als fries dichter grote indruk maakte op de jonge Gerbrandy's door zijn zin voor vrijheid en recht. Pieter Sjoerds' moeder was Jeltje Pieters van der Zijl (geb. 1850). Pieter Sjoerds kreeg de voornaam van haar vader Pieter Hommes van der Zijl, een atheïst, die hij niet heeft gekend. Zijn moeders moeder Antje van der Woude kwam uit de kring van de Afgescheidenen. Als jong meisje had zij het uiteendrijven van godsdienstige bijeenkomsten door politie en soldateska meegemaakt, de arrestaties en de afschuwelijke inkwartieringen; als grootmoeder wist zij hier nog van te vertellen. De eerste vergadering van de locale dolerenden op 11 september 1887 vond te haren huize plaats; de zondagse bijeenkomsten aanvankelijk op de boerderij van haar schoonzoon S.J. Gerbrandy. Pieter bezocht de christelijke nationale school te Gauw. Toen er, in dit een 80 inwoners tellend gebuurte, in 1876 een vereniging van Christelijk Nationaal Schoolonderwijs was opgericht, was Sjoerd Joukes Gerbrandy secretaris geworden. Na deze school deden de christelijke normaalschool te Sneek, latijnse lessen van de plaatstelijke gereformeerde predikant P. Eringa en Franse lessen van het Gauwse schoolhoofd J. Wielinga, Pieter in juli 1900 slagen voor het toelatingsexamen tot de 2e klasse van het gereformeerde gymnasium te Zetten in de Betuwe. Samen met zijn jongere broer Hiskis trok hij naar dit internaat, dat in die tijd onder leiding stond van de directeur-rector Dr. W.H. Kramer en waar, naast goed onderwijs, een frisse kameraadschappelijke- en sportieve sfeer gevonden werd. In july 1904 haalde Pieter het einddiploma gymnasium- en B en in september 1904 volgde de inschrijving als student in de rechten aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Na het propaedeutisch examen op 3 maart 1905 vervulde de loteling Gerbrandy uit de gemeente Wijmbritseradeel, lang 1.601 meter, zijn militaire dienstplicht als soldaat bij het 9e regiment infanterie te Leeuwarden. Hij weigerde de officiers- en onderofficiersopleiding. Bij de manoevres maakte hij de bij de troep zeer geziene kapitein L. .. .J.K. Thompson mee, een uitermate vakbekwaam officier, die er o.m. niet voor terugschrok de bepakking van uitgeputte rekruten over en op zich te nemen. In december 1905 hervatte Pieter Sjoerd zijn studie te Amsterdam. Hij werd catechisant bij de sociale voorman ds. J.C. Sikkel, met wiens oudste dochter Hendrina Elisabeth hij zich in mei 1908 verloofde. In juli 1910 werd het doctoraal examen afgelegd en de promotie volgde op 28 januari 1911 met een economisch-juridisch onderwerp "Het Heimstättenrecht". Hij huwde op 18 mei 1911 en vestigde zich als advocaat te Leiden. Hij werkte er mede aan de christelijk sociale actie en aan het plaatselijk orgaan van die groep "De Meiboom" en verwierf het etiket "rood" door zijn steun aan stakende arbeiders. In 1914 vestigde Gerbrandy zich te Sneek, waar hij plaatsvervangend kantonrechter werd, rechtskundig adviseur van de christelijke besturenbond, lid van de huurcommissie en voorzitter van het bestuur van de plaatselijke vereniging voor christelijk nationaal schoolonderwijs. Als reserve-officier bij de landweer riep de mobilisatie ook hem onder de wapenen. In 1917 werd hij als anti-revolutionair lid van de gemeenteraad van Sneek en in de woelige novemberdagen van 1918 had hij als reserve-kapitein van de landweer het bevel over de vrijwilligers uit Sneek, die naar Den Haag trokken. Bij de vele militaire demonstraties trok men ook op naar het huis van de oude staatsman Kuyper, bij wie men diens lievelingspsalm zong "Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort". In 1919 werd Gerbrandy plaatselijk commandant van de Bijzondere Vrijwillige Landstorm en in 1920 voorzitter van het provinciaal verband. Bij de verkiezingen van 1919 volgde het lidmaatschap van provinciale staten van Friesland. Op 13 januari 1920 werd hij als opvolger van zijn stad- en partijgenoot H. Pollema gekozen tot lid van gedeputeerde staten, een functie, die hij tot 1930 bekleedde. Hij bleek, zo schreef H. Algra, als gedeputeerde een felle, maar merkwaardige vechter. Hij bouwde geen stellingen, waarvan punt voor punt versterkt werd, maar chargeerde. Hij richtte zich met een frontale aanval op het voor hem beslissende punt en had aan de juristerij maling. Groot was zijn gave om moeilijke vraagstukken helder uiteen te zetten en de verkozen oplossing als dwingend voor te stellen. Juridische vergissingen van de oud-liberale griffier werden door Gerbrandy uitvoerig verbeterd. De griffier had getwijfeld aan de waarde van de papieren van V.U.-alumni en kreeg derhalve bij misgrepen op langzaam zalvende, bijna bescheiden toon opmerkingen te horen in de trant van: dat hebben wij op de Vrije héél precies geleerd, want Fabius was daar erg secuur in. In eigen kring gold deze voorvechter van vrouwenkiesrecht en andere geavanceerde denkbeelden als een buitenbeentje. Hij was spoedig -en niet zelden terecht- ervan overtuigd, dat de meerderheid dwaalde. Daarbij kwam te stade een niet tellen van de gangbare opinie en de felle trouw van een hem in zijn besluitvorming mede bepalende echtgenote. In 1928 werd hij lid en in 1937 voorzitter van de Radioraad. Voorts was hij voorzitter van de Raad van Beheer van de Nederlandsche Omroep Zender Maatschappij en lid van de Commission juridique de l'Union Internationale de Radio Diffusion. Sinds 1832 was hij lid van de Hoge Raad van Arbeid. In 1930 verhuisde het gezin Gerbrandy naar Amsterdam, waar mr. P.S. Gerbrandy op 26 september 1930 het ambt van hoogleraar in het handelsrecht, burgerlijk procesrecht en faillissementsrecht aan de Vrije Universiteit aanvaarde met de oratie: "Eenige opmerkingen over de verhouding van handelsrecht en arbeidsrecht". Beknopt vindt men in deze inaugurale rede, zo schreef prof. mr. W.F. de Gaay Fortmand, alles wat Gerbrandy bezig hield: de vragen, die het socialisme aan het Christendom stelt, de noodzakelijkheid de werkelijkheid grondig te kennen en de bij de ontwikkeling passende rechtsvorm te vinden, de eerbied voor het door de betrokkenen zelf gevormde recht, de noodzakelijkheid strijd te vervangen door gemeenschap en dat alles getoetst en gelouterd door het Evangelie. De studenten onderkenden in de wat robuuste ondervragingen door de nieuwe hoogleraar diens speelsheid en in de schijnbare scherpte een innerlijke goedmoedigheid. Zijn omgang met de studenten was niet bijzonder intens, zonder dat een hinderlijk afstand werd gevoeld. Wie door de muur van zijn druk bezet leven wist heen te stoten, vond een warm hart. Op 10 augustus 1939 werd hij tegen de wens van zijn partijgenoten in, minister van Justitie in het 2e ministerie De Geer. Onder de brieven, die hij toen van anti-revolutionairen ontving, waren er, die zijn vrouw er toe brachten de post tegemoet te gaan om de correspondentie op te vangen en te verbranden. Gerbrandy was, in tegenstelling tot Colijn, van mening, dat een oorlog zou uitbreken en ons land niet zou sparen. Hij betreurde het dat Colijn, die voor de Eerste Wereldoorlog zijn inziens bijzonder grote verdienste had gehad voor de versterking van de defensie, in de dertiger jaren van mening was, dat er geen oorlog zou komen en dat hij daarom weigerde het militaire potentieel op te voeren. Na de nationaal-socialistische aanval op Nederland vertrok Gerbrandy, daar de regeertaak alleen kon worden vervuld in het perspectief van de bevrijding, met de regering naar Engeland, waar hij op 14 mei 1940 arriveerde. Op een vraag van een journalist, waarom de ministersgezinnen waren achtergelaten, antwoordde Gerbrandy toen: Onze vlucht geschiedde om redenen van Staat, niet om redenen van persoonlijke veiligheid. Op de weervraag: Prachtig. Maar zal de wetenschap, dat hun familieleden zijn in Nederland, de ministers in Londen niet remmen in hun openbaar optreden? volgde zijn antwoord: Ik bid elke dag. Als de mijnen mochten lijden, lijden ze voor een goede zaak. Toen De Geer wegtrok, zwichtte Gerbrandy voor betoog en aandrang van vorstin en ambtgenoten. Uit plichtsbetrachting aanvaardde hij het hem opgelegde premierschap en door zijn markante persoonlijkheid, onverzettelijke wilskracht en niet te schokken geloof in de eindoverwinning herstelde hij het Engelse vertrouwen in de Nederlandse regering. Naast het winnen van de voor vrijheid en verdraagzaamheid gestreden oorlog, zag hij als zijn ministeriële plicht het handhaven van de onschendbaarheid van het staatshoofd. Zo vertelde hij aan Meyer Sluyser: "Een der hechste stutten onder het Oranjehuis, zeker in onze verwarde tijd, is de ministeriële verantwoordelijkheid en de onschendbaarheid van ons staatshoofd. Kijk, al zou ik in Nederland terugkomen zo zwart als een moriaan, Hare Majesteit de Koningin moet sneeuwwit zijn. Ik geloof, dat ik het uitverkoren vat ben en dat het mijn taak is het scheepje straks aan de kant te leggen". Hij was minister-president van 3 september 1940 tot 24 juni 1945, minister van Justitie van 10 augustus 1939 tot 21 februari 1942 en van 23 februari tot 24 juni 1945, minister van Koloniën van 20 november 1941 tot 25 mei 1942 en minister van Algemene Oorlogsvoering van 23 mei 1942 tot 24 juni 1945. In deze Fries vond de Engelse oorlogsleider Churchill, die, overstelpt door de aanvankelijke overmachtige buitenlandse aanvallen, ook van binnen uit door de voormalige aanhangers van Chamberlain en diens vredespolitiek werd belaagd, de onverzettelijkheid en het vertrouwen, welke hij onder omstandigheden waarin alles wankelde, zo zeer behoefde. Hij bleef hierbij een individualist, een man van invallen, van lievelingsdenkbeelden, een man ook met een helder en onbevangen oordeel, die soms als eerste kwam met initiatieven van groot belang: zo bij de onmiddellijke oorlogsverklaring aan Japan nà Pearl Harbour. Gerbrandy was, zo schreef mr. E.N. van Kleffens "a character". De vervaarlijke snor bleek onweerstaanbaar. Wie het eenmaal had gezien tijdens een hevig nachtelijk bombardement kalm in het maanlicht wandelend op Piccadilly, op sloffen, gehuld in een rose kamerjas zou het nooit vergete. Men wist hem onbevreesd en eerbiedwaardig. Na de bevrijding was hij van 1945 - 1948 voorzitter van de Raad voor het Rechtsherstel en van 1946 - 1950 voorzitter van het Nationaal Comité Handhaving Rijkseenheid. In die laatste functie leidde hij het heftige verzet tegen de losmaking van Indonesië uit het rijksverband. Een leerstoel in het administratieve recht te Leiden wees hij van de hand. Van 1948 - 1959 was hij voor de anti-revolutionaire partij lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Hij was klein van postuur, had helle blauwe ogen, was kaal, had een vervaarlijke hangsnor, een hoge stem met slepende uithalen en een spitse geest. Als parlementarier had hij een eigen stijl. In zake zijn moedertaal zij hij: "Ik heb bij mijn Friese familie altijd Fries gesproken en dit doe ik nog. Zij zouden trouwens denken, dat ik rijp was voor een zeker gesticht, wanneer ik het anders deed" (Handelingen 2e Kamer 1951/2 p. 177). Over de staat: "wat de staat eigelijk is. Een instelling Gods, zoals het huwelijk dat ook is, waar ik niet van mag maken, wat ik wil, maar waarbij ik gebonden ben aan bepaalde wetten" (a.v. 54/5 p. 1053). "De verantwoordelijke burger verdwijnt. De -van de wieg- tot het graf-mens verschijnt. Hij mag over zijn loon of salaris, hem toekomend voor zijn diensten aan de gemeenschap -het werken voor zich en zijn vrouw en kinderen is voorbij- straks misschien vrij beschikken" (a.v. 57/8 p. 542). Over de Staten-Generaal: "Men moet begrijpen hoe diep een Parlement, om goed te zijn, moet zijn geworteld in de historie van een Volk" (a.v. 54/5 p. 811). Over de Veiligheidsraad: "Nederland is de mat geworden, waarop dit afschuwelijke instituut zijn vuile voeten afveegt" (a.v. 48/49 p 1841). Over de geschiedkunde: "Prof. Anema, zeide eens tegen mij: Als ik mij de vraag stel, waarvoor ik het meest geleerd heb, de philosophie of de historie, dan zeg ik: de historie, onthoud dat, jongetjie!" (a.v. 52/53 p. 2648). De kamervoorzitter Kortenhorst kenschetste het kamerlid Gerbrandy als: "Een knoestige dwergeik in het schoon aangeharkte plantsoen van de vaderlandse politiek". Hij draafde, zo zei de kamerpresident, moeilijk in het gareel van discipline. zijn rug verdroeg geen juk. Hij stond kritisch tegenover meningen en adviezen, die van de zijne afweken en was moeilijk van zijn ongelijk te overtuigen. Voor hem was de rechte weg de kortste, hij koos tussen ja en neen en vluchtte niet in het misschien (a.v. 61/62 p. 4). Op 3 september 1947 werd hem een spreekverbod voor de radio van 2 maanden opgelegd door de regeringscommissaris voor het radiowezen mr. L.A. Kesper, "wegens het aansporen van een hoog gezagsdrager -in casu Van Mook- tot het overtreden van de op hem betrekking hebbende wettelijke voorschriften". In november 1951 werd hij door de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen benoemd tot voorzitter van de Televisieraad. Bij zijn 70e verjaardag op 13 april 1955 benoemde H.M. de Koningin hem tot minister van Staat. In 1956 werd hij, naar aanleiding van publicaties in de buitenlandse- en binnenlandse pers over de Koninklijke familie met prof. Beel en Jhr. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer benoemd in een commissie van advies voor het Koninklijk Huis. In oktober 1959 volgde zijn benoeming tot erelid van de Anti-Revolutionaire Partij, een benoeming waartegen hij zich niet had willen verzetten. Hij was president-commissaris van Verolme en drager van het grootkruis in de orde van de Nederlandse Leeuw, grootkruis in het legioen van Eer en grootkruis in de Most Excellent Order of the British Empire. Hij, die zich wist "burger van het Rijk, dat geen einde zal hebben", overleed op donderdagavond 7 setpember 1961 in zijn woning aan de Haagse Kanaalweg en werd op 12 september op de begraafplaats Oud Eik en Duinen ter aarde besteld. Zie over hem o.a. Mr. E.N. van Kleffens, H. Algra, Prof. Mr. W.F. de Gaay Fortman, Prof. Mr. I.A. Diepenhorst en Drs. G. Puchinger in Anti-Revolutionaire Staatkunde, 31e jg. nr. 10, oktober 1961 "Ter nagedachtenis aan Prof. Mr. P.S. Gerbrandy"; Meyer Sluyser, "Daar zaten wij, impressies over Londen 40-45"; idem, "Bij de dood van Pieter Sjoerd Gerbrandy", Vrij Nederland 16 september 1961; de Handelingen van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal en de onder nr. 3 in deze collectie berustende memoires.
De gereformeerde Gerbrandy werd geboren in het dorpje Goënga bij Sneek. Zijn vader was wethouder van Wymbritseradeel en lid van Gedeputeerde Staten van Friesland. Gerbrandy volgde het gymnasium aan een internaat te Zetten. Daarna studeerde hij rechten aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, waar hij in 1911 promoveerde. Na een periode als advocaat in Leiden vestigde hij zich in Sneek. In 1918 maakte hij, als reserve-kapitein, deel uit van de eerste groep vrijwillige militairen die naar Den Haag kwamen na Troelstra's poging de socialistische revolutie uit te roepen om deze de kop in te drukken.
Van 1920 tot 1930 was Gerbrandy voor de ARP lid van Gedeputeerde Staten van Friesland. In 1930 keerde hij terug naar de Vrije Universiteit als hoogleraar. In 1934 werd hij daarnaast lid van de Radioraad.
In 1939 werd hij minister van justitie in het Kabinet-De Geer II. Hij vluchtte op 13 mei 1940 met het kabinet naar het Verenigd Koninkrijk en werd in september 1940 door Koningin Wilhelmina eigenhandig tot premier benoemd in de zogenaamde Londense kabinetten. In februari 1945 stapten de socialistische ministers uit zijn kabinet. Gerbrandy formeerde een nieuw kabinet, dat aftrad toen Nederland was bevrijd. Vanuit Londen inspireerde hij met zijn kenmerkende stemgeluid in radiopraatjes het verzet.
Over Gerbrandy gaat het verhaal dat hij de Engelse taal zeer slecht machtig was. Tegen zijn Britse collega zou hij bij de eerste kennismaking gezegd hebben: "Goodbye, mister Churchill." Ook is er een verhaal bekend waarin Churchill en Gerbrandy samen door een park lopen, waarop Churchill zei: "Ah, Spring is in the air", waarop Gerbrandy antwoordde "Why should I?"
Gerbrandy was vanaf 1948 lid van de Tweede Kamer. Na de oorlog was hij als voorzitter van het Comité tot Handhaving van de Rijkseenheid fel opposant van de Indiëpolitiek van de achtereenvolgende kabinetten. Hij trok zich als Kamerlid vaak weinig aan van de lijn die door de fractie was uitgestippeld. Hij zette zich sterk in voor een gelijkwaardige positie van het Fries. In 1955 werd hij benoemd tot Minister van Staat en in 1956 werd hij lid van de commissie van drie die een oplossing moest vinden voor de Greet Hofmans-affaire. In 1959 stelde hij zich niet herkiesbaar als Kamerlid.
Ter herinnering aan Gerbrandy is in het centrum van Sneek een bronzen standbeeld van hem geplaatst. Het is vervaardigd door de beeldhouwster Maria van Everdingen uit Loënga, in opdracht van het Comité Oprichting Nationaal Gedenkteken Prof. P.S. Gerbrandy. Op 14 oktober 1976 werd het onthuld door koningin Juliana

Activiteiten:

 

Overleden:

te 's‑Gravenhage

donderdag 7 sep 1961

 

 

:

 

 

 

 

Diss. 'Het Heimstattenrecht' 1911

Vader:

Sjoerd Joukes Gerbrandy, zn. van Jouke Sjoerds Gerbrandy en Hiske Rintjes Syperda, , boer op Goëngamieden

Moeder:

Jeltje Pieters van der Zijl, dr. van Pieter Hommes van der Zijl en Antje Durks van der Woude

tr.

 

Relaties:

 

           

 

1 Hendrina Elisabeth Sikkel, dr. van Johannes Cornelis Sikkel RON (gereformeerd predikant) en Christine Odink, geb. te Hijlaard op vrijdag 26 feb 1886, ovl. (94 jaar oud) te Apeldoorn op zondag 4 mei 1980

tr. (resp. 26 en 25 jaar oud) te Amsterdam op donderdag 18 mei 1911

 

 

 

Top

PlaKo Productions  | g.koeze@gmail.com